zondag 16 maart 2014

Schaduwarchieven: twee wetten

De Ministerraad besloot dus op 1 oktober 1951 dat alle dubbelen van de registers van de burgerlijke stand moesten worden "overgebracht" en dat de archieven van de bevolkingsregisters moesten worden gekopieerd en overgebracht.
De basis hiervoor was een memo van het hoofd van de Inspectie der Bevolkingsregisters Graafland, die had berekend dat het kopiëren van het archiefregister ongeveer Fl 2.150.000 zou kosten. Dit betekende natuurlijk wel dat de Eerste en Tweede Kamer hiervoor toestemming moesten geven, want dat bedrag stond nog niet op de begroting. En hoewel het veiligstellen van de dubbelen niet zo kostbaar was, doordat er geen kopieerwerkzaamheden hoefden te gebeuren, vond Graafland dat het parlement ook hiervan op de hoogte moest worden gebracht:
Wel zal een wettelijke voorziening nodig zij om de door mij voorgestelde maatregel tot beveiliging der registers van de burgerlijke stand mogelijk te maken. Het schijnt mij toe, dat het, ter voorkoming van onrust onder de bevolking, wenselijk is slechts de noodzakelijk geachte bescherming tegen het gevaar van vernietiging tijdens oorlogshandelingen, welke zich op of boven Nederlands grondgebied kunnen afspelen, als beweegreden ener zodanige regeling te noemen.
Twee wetsvoorstellen in de kamer
Nadat de Ministerraad dit besluit had genomen, duurde het nog meer dan één jaar voordat de Tweede Kamer hiervan hoorde. Op 7 januari 1953 bood Juliana het parlement "ter overweging (...) een ontwerp van Wet tot wijziging van hoofdstuk V der Rijksbegroting voor het dienstjaar 1952 (Uitgaven voortvloeiende uit de bescherming van de bevolkingsregisters)." (Kamerstuk 2896)
En twee weken later stuurde de majesteit een "ontwerp van Wet tot opening van de mogelijkheid tot het nemen van maatregelen met betrekking tot registers van de burgerlijke stand." (Kamerstuk 2902).

Kamerstuk 2896
Het bijzondere van de voorgestelde begrotingswijziging is natuurlijk dat deze pas werd ingediend toen de kopieerwerkzaamheden al bijna waren afgerond. Op 1 april 1952 had Graafland namelijk al aan alle gemeenten een circulaire gestuurd over het kopiëren van de archiefregisters, inclusief een planning die ervan uitging dat de laatste registers eind februari 1953 gereed zouden zijn. In de memorie van toelichting legt de minister uit waarom dit wetsvoorstel pas zo laat werd ingediend:
Het aanvragen van de daarvoor benodigde gelden bij de Staten-Generaal werd vertraagd doordat bleek, dat de bovengenoemde maatregel ernstig verzet in de kringen van de gemeentebesturen ontmoette, hetgeen de ondergetekende aanleiding gaf zich met betrekking tot deze bezwaren op korte termijn door een commissie te doen voorlichten.
Over dat verzet en het instellen van die commissie schreef ik eerder al uitgebreid.
De minister stelt in de memorie ook nog dat de commissie adviseerde om ook duplicaten van alle persoonskaarten te maken en dat tegen de tijd dat het archiefregister volledig gekopieerd is, bekeken zal worden of dat nog opportuun is. Ondertussen schreef ik al dat die conclusie negatief is.
Hoewel zowel de Eerste en de Tweede Kamer wat tegensputterden - Is het nu wel nodig? Kan het niet goedkoper? Waarom zijn wij niet eerder geïnformeerd?, je kent het wel...- stemden ze toch alle twee in met de begrotingswijziging.

Kamerstuk 2902
Onze Minister van Justitie is met het oog op oorlog, oorlogsgevaar of daaraan verwante of daarmede verband houdende omstandigheden bevoegd maatregelen te treffen ter beveiliging van registers van de burgerlijke stand en daartoe behorende stukken, voor zoveel nodig met afwijking van ter zake bestaande wettelijke bepalingen.
Zo luidt het enige artikel van de "Wet van 23 juli 1953, houdende opening van de mogelijkheid tot het nemen van maatregelen ter beveiliging van registers van de burgerlijke stand" die op 4 augustus 1953 onder nummer 1953-360 in het Staatsblad werd gepubliceerd.
De memorie van toelichting is ongeveer even lang als het artikel:
In de jaren 1940—1945 is door oorlogsgeweld een groot aantal registers van de burgerlijke stand beschadigd of vernietigd. In sommige provincies zijn zowel ter gemeentesecretarie als ter griffie der rechtbank berustende registers verdwenen. Er bestaat geen genoegzame zekerheid, dat althans één dubbel der registers onder alle omstandigheden ter beschikking blijft. De ondergetekende acht het mitsdien raadzaam, dat reeds thans maatregelen worden getroffen ten aanzien van deze zeer belangrijke administratie. Het ligt in de bedoeling de thans ter griffie der rechtbanken aanwezige registers veilig en centraal buiten Nederland op te bergen en bij te houden. Over deze dubbelen zullen bewaarders worden aangesteld, wier bevoegdheden nader zullen worden geregeld. Waar de uitvoering van de gevraagde machtiging van zuiver technische aard is, schijnt het niet nodig dienaangaande in bijzonderheden te treden. Ook dient er rekening mede gehouden te worden, dat wisselende omstandigheden wijzigingen van plannen nodig zouden kunnen maken. Het is om deze redenen dat het enig artikel van het ontwerp volstaat met een algemene machtiging te vragen. De kosten zullen aanvankelijk een bedrag van f60.000 niet overschrijden.
Tijdens de parlementaire behandeling stellen enkele kamerleden enkele vragen die "met de kennis van nu" zeer pertinent zijn.
Zo vragen verschillende leden zich af hoe de dubbelen zullen worden bijgewerkt en hoe eventuele raadpleging van de registers mogelijk zal zijn. Daarnaast wordt er gevraagd wat de relatie is met kamerstuk 2896: worden de akten van de burgerlijke stand op dezelfde plek onder gebracht als het archiefregister van het bevolkingsregister en waar is dat dan?
Op die laatste vraag wordt - uiteraard - geen antwoord gegeven door minister Donker. Over het bijhouden van de registers zegt hij echter:
Zolang er vrede is. zullen de naar elders overgebrachte dubbelen van de registers niet worden bijgehouden. Wel zullen de kennisgevingen, bedoeld in artikel 25, lid 2. B.W., centraal worden verzameld en regelmatig worden nagezonden. Het verwerken van de mutaties kan geschieden nadat de verbinding met Nederland is verbroken. Hieruit volgt, dat voor het bijhouden van de registers geen reiskosten zullen behoeven te worden gemaakt.
Het gaat hierbij om de zogenaamde kantmeldingen.
Als een echtpaar gescheiden is, dan moet dit worden aangetekend op alle twee de exemplaren van de huwelijksakte. Zolang de dubbelen bij de rechtbanken waren, werden daar kennisgevingen van echtscheidingen naar toe gestuurd. Iemand schreef dan op basis daarvan de echtscheidingsdatum op de huwelijksakte.
Wanneer de dubbelen naar het buitenland waren gestuurd, zou men dus volstaan met het opsturen van de kennisgevingen en deze niet meteen noteren op de akten. Dat zou pas gebeuren als wanneer "de verbinding met Nederland verbroken" zou zijn. Blijkbaar ging de minister er van uit dat die dubbelen nooit meer naar Nederland zouden terugkeren. Op de consequenties van deze werkwijze, zal ik later terug komen.

Tenslotte nog een opmerking over deze wet.
Zoals gezegd is hij in augustus 1953 in het Staatsblad gepubliceerd en van kracht geworden. In 1975 keerden alle dubbelen terug naar Nederland. Maar tot na 1975 worden er op de rijksbegroting nog kosten geraamd "voortvloeiende uit de Wet van 23 juli 1953 etc" (zie bijvoorbeeld een begroting voor 1987) en ik heb in Staten-Generaal Digitaal geen besluit gevonden dat de wet zou zijn ingetrokken. Hoewel de wet niet voorkomt op wetten.nl heb ik dus wel de indruk dat deze wet niet is ingetrokken.

Bronnen
NL-HaNA, Ministerraad, 2.02.05.02, inv.nr. 386, 387, 394, 395, 462, 469, 472
NL-HaNA, BiZa Binnenlands Bestuur en Kabinet, 2.04.87, inv.nr. 6417
NL-HaNA, Kabinet Minister-President, 2.03.01, inv.nr. 11647

Plaatje
Kaft van het boekje Burgelijke stand en bevolkingsregister van R.F. Vulsma

Gerelateerd
Schaduwarchieven: vernietiging en werkverschaffing
Schaduwarchieven: kopieën van het archief-bevolkingsregister
Schaduwarchieven: de dubbelen van de Burgerlijke Stand keren terug

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen