zondag 9 februari 2014

Schaduwarchieven: twee commissies

In de dossiers en karige literatuur over de schaduwarchieven op Curaçao spelen twee commissies een cruciale rol: de "Commissie Jansen" en de "Commissie Algemene Verdedigingsvoorbereiding". Nu wat achtergrondinformatie over de twee commissies, later zal ik uitgebreider citeren uit enkele relevante dossiers van de commissies.

Commissie Jansen, 1948 - 1958
De geheime Commissie Jansen werd in september 1948 in het leven geroepen door de op dat moment net aangetreden minister-president Drees. De commissie kreeg als opdracht om te onderzoeken welke voorbereidingen de Nederlandse regering moest treffen voor het geval het land weer bezet werd. Als voorzitter werd Mr. C.L.W. Fock benoemd, die aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in Londen hoofd van het Bureau Inlichtingen was.
De commissie had maar negentien dagen nodig om te constateren dat de toekomstige bezetter waarschijnlijk de Sovjet-Unie of een van zijn bondgenoten zou zijn en dat Nederland binnen een paar uur na het begin van "de vijandelijkheden" volledig onder de voet zou zijn gelopen. Op basis daarvan onderscheidde de commissie drie vraagstukken:

  • vorming van een regering in ballingschap en verzekering van het Nederlandse volksbestaan na de oorlog
  • noodrechtvoorzieningen en uitvoeringsmaatregelen voor de korte tijd tussen het begin van vijandelijkheden en de bezetting
  • voorzieningen voor de bezettingstijd

Voordat de commissie zich kon gaan bezighouden met de uitwerking van deze vraagstukken, vond ze dat de regering antwoord moest geven op vier vragen:
  1. moet de regering in haar geheel uitwijken naar het buitenland
  2. welke richting moet er aan het verzet gegeven worden
  3. hoe moet tegen communisten worden opgetreden
  4. hoever moet worden gegaan in de afbraak van de maatschappelijke organisatie
Uiteindelijk stelde de commissie, dan onder voorzitterschap van de secretaris van de Ministerraad M.J. Prinsen, in december 1949 een overzicht op van voorbereidingen die de commissie zelf zou organiseren en welke maatregelen door de ministeries (Justitie, Binnenlandse Zaken, Economische Zaken, Landbouw Visserij en Voedselvoorziening, Financiën, Marine, Onderwijs Kunsten en Wetenschappen, Oorlog, Sociale Zaken en Verkeer en Waterstaat) zouden moeten worden voorbereid. De commissie zag voor zichzelf de volgende klussen weggelegd:
  • de lijst van te evacueren personen
  • de proclamatie tot de bevolking
  • de richtlijnen voor belangrijke personen, in het bijzonder ambtenaren, in bezet gebied
  • de voorbereiding van een vernietigingsplan
  • de supervisie over de vorming van schaduwarchieven in het buitenland
  • de machtigingswet voor de minister-president voor zeer bijzondere omstandigheden
  • de opstelling van een Koninklijk Besluit tot wijziging van de bestaande departementale indeling
  • het toezicht op maatregelen tegen potentiële landverraders
Opvallend hierbij is trouwens dat de commissie pas in september 1948 werd opgericht en eind 1949 met zijn voorstellen kwam, terwijl de Minister van Oorlog al op 7 april 1948 zijn collega-ministers opriep om essentiële gegevens te dupliceren.
Op basis van de voorstellen van de commissie Jansen werden nog verschillende andere commissies ingesteld. De Commissie Nationale Coördinatie Vordering moest de spreiding van het regeringsapparaat voorbereiden, de voorbereiding van de voorlichting in oorlogstijd was de eerst taak van de
Oorlogsvoorlichtingscommissie (OVC, 1951) en daarna van de Bijzondere Voorlichtingscommissie (BVC, 1951). En de Commissie Kan moest zorgen voor de richtlijnen voor ambtenaren in bezet gebied.

Halverwege de jaren vijftig wordt de commissie Jansen waarschijnlijk opgeheven omdat de Nederlandse regering uitging van een gedeeltelijke in plaats van een totale bezetting van Nederland. En, in 1952 was al een andere commissie met vergelijkbare taken opgericht: de Commissie Algemene Verdedigingsvoorbereiding.

Het voor mij interessantste dossier uit het archief van de commissie Jansen is natuurlijk 11647 Vernietiging van registers van de Burgerlijke Stand, 1950-1954.

Commissie Algemene Verdedigingsvoorbereiding
In november 1952 voerde Minister-President een besluit uit van de Algemene Verdedigingsraad, een onderraad van de Minsterraad, door de Commissie Algemene Verdedigingsvoorbereiding (CAV) in te stellen. 
De CAV kreeg tot taak een 'basisplan voor de Algemene Verdediging in de ruimste zin, in de civiele zowel als in de militaire sector' op te stellen, daarin reeds bestaande voorzieningen in te passen en onvoorziene aspecten af te dekken, de voorbereiding van deelplannen te coördineren, een behoeftenraming te maken en de internationale coördinatie over de Algemene Verdediging te verzorgen.
Voorzitter van de commissie werd mr. O.W.S. Josephus Jitta, die toen op het ministerie van Algemene Zaken werkte als secretaris van de Algemene Verdedigingsraad. De commissie beschouwde het als zijn taak om een verdedigingsplan te maken dat tenminste ook handelde over de "opbouw van het militaire apparaat, zowel strijdkrachten te velde als de territoriale verdediging; de verdediging van het civiele potentieel, actief in de vorm van territoriale verdediging, passief als burgerlijke verdediging in de ruimste zin; en het instellen van het civiele potentieel op de vereisten van een oorlogstoestand." Hierbij was het uitgangspunt dat een toekomstige oorlog zich vooral in Duitsland, of ten hoogste in het oosten van Nederland zou afspelen en de rest van Nederland gevrijwaard zou worden.
Uiteindelijk beperkte de commissie zich toch maar tot de civiele voorbereiding, omdat de militaire voorbereiding al door anderen werd voorbereid. Daartoe werd de commissie in 1955 uitgebreid met allerlei afdelingen: een Centrale Afdeling, voor de coördinatie, een Afdeling voor Sociale en Economische Defensie-aangelegenheden (SED), de Afdeling voor de Burgerlijke Verdediging (BV) en de Afdeling voor de Morele Weerbaarheid (MW). Tenslotte werd in in het geheim ook nog een Afdeling voor de Inwendige Veiligheid (IV) opgericht. Hoe productief die afdelingen geweest zijn, is niet heel helder. Van de afdelingen MW en IV is blijkbaar geen document overgeleverd.
In 1963 werden alle afdelingen weer opgeheven en werd de commissie weer gereduceerd tot een enkelvoudige commissie, met als belangrijkste taak de Algemene Verdedigingsraad gevraagd en ongevraagd te adviseren. In 1972 werd de commissie opgeheven.
De geschiedenis van het archief van de commissie is een beetje dubieus. H.H. Jongbloed schrijft in de inventaris:
Het archief, dat afkomstig blijkt van de voorzitter van de CAV, is in 1994 door de beheerder van het Semistatisch Archief van AZ afgezonderd uit de verzamelingen-Josephus Jitta en -Ringnalda, waarbij in het laatste geval sprake was van 'overgenomen' stukken uit de verzameling-Van Nispen. De bewerker merkte op dat het secretariaatsarchief van de CAV als geheel en de afdelingsarchieven, die uiteraard in het voorzittersarchief niet aanwezig zijn, vermoedelijk bij de ministeries van Binnenlandse Zaken of Defensie zouden moeten berusten.
Het interessantste dossier: 11869, Stukken betreffende de voorbereiding van maatregelen voor de vernietiging van registers van de Burgerlijke Stand en andere persoonsregistraties bij een vijandelijke bezetting. 1961-1962, 1969

Bronnen
De informatie en citaten uit dit stuk komen allemaal uit de inventaris van H.H. Jongbloed: Inventaris van de archieven van de Ministeries voor Algemeene Oorlogvoering van het Koninkrijk (AOK) en van Algemene Zaken (AZ): Kabinet van de Minister-President (KMP), (1924) 1942-1979 (1989) aangevulde versie 2010) Nationaal Archief, Den Haag (c) 2003 archiefinventaris:  2.03.01

Gerelateerd
Schaduwarchieven: de dubbelen keren terug in Nederland
Schaduwarchieven: "Uitsluitend bestemd voor gebruik in geval van oorlog"
Schaduwarchieven: kopieën van het archief-bevolkingsregister
Schaduwarchieven: "De Russen komen!" Een intermezzo
Schaduwarchieven: ponskaarten, microfilms en magneetbanden

Plaatje: Jansen en Janssen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen