woensdag 5 augustus 2015

Gastblog: Joost luistert en schrijft #ICHORA7 – dag 3

De zevende editie van het ‘International Conference on the History of Records and Archives’ (I-CHORA) vond plaats op 29-31 juli in het Stadsarchief Amsterdam. Het volledige programma met teksten kun je terugvinden op de I-CHORA website. In deze bijdrage gaan we verder met de derde en afsluitende dag, 31 juli. Niet alle lezingen worden behandeld, dus net als bij dag één en twee geldt: als je er wel bij was en een lezing of onderwerp hier mist, gebruik dan graag het reactievenster onderaan om zelf toe te voegen.

Derde dag, 31 juli
Ik heb de eerste paar lezingen van dag 3 helaas gemist, maar was gelukkig nog net op tijd over het verhaal over de wampum van Jonathan Lainey. Daar heeft Ingmar al over geschreven en de lezing voegde daar eerlijk gezegd inhoudelijk niet veel aan toe... maar Lainey was wel een heel onderhoudende spreker. Lees vooral Ingmar z’n blogs nog een keer.

Er is ietwat geschoven in de lezingen, wat betekende dat Jonathan Furner meer tijd had – en dat vond ik hélemaal niet vervelend! – om te spreken over de geschiedenis en huidige staat van ‘data modeling’ in de archivistiek. Datamodellen worden gebruikt in de informatisering en informatiewetenschap om de wereld zoals we die om ons heen kennen, te vertalen naar het gedrag van databanken en informatiesystemen. In feite is het principe niet heel erg nieuw: datamodellen bestaan al onder de oppervlakte sinds we kaartenbakken of zelfs indices zijn gaan maken, of eigenlijk sinds we de neiging hebben gekregen om de wereld te ordenen. Maar waar het verschil echt in zit volgens Furner, is de aard van de objecten die je beschrijft. In de wereld van de ‘erfgoedsector’ onderscheiden we de vier GLAM-instellingen en informatiestandaarden: galerieën, bibliotheken (libraries), archiefinstellingen en musea. Elke sector met zijn eigen beheerobjecten (hoewel galerieën en kunstmusea in veel gevallen uitwisselbaar kunnen zijn) en dus elk met zijn eigen informatiesysteem en datamodel. Toch? Nou, ja en nee...
Want naast de neiging om te ordenen, hebben we ook de neiging om ordeningssystemen op elkaar aan te sluiten. Fruner verwijst naar de ontwikkeling van een nieuw overkoepelend datamodel voor archieven van de ‘expert group on archival description’ (EGAD) van de Internationale Archiefraad (ICA). Die groep heeft blijkbaar een rapport heeft geschreven over het sterker aansluiten van de archivistische beschrijvingsstandaarden aan die van de andere GLAM-instellingen. Waarschijnlijk om aan te kunnen sluiten bij initiatieven als OpenGLAM, of om objecten te kunnen beschrijven die zowel museumstuk als archiefstuk zijn (denk aan scheepsmodellen). Maar is dat wel verstandig? Volgens Furner niet, want wat gaan we inleveren op ons eigen datamodel? Het datamodel voor musea is op dit moment bijvoorbeeld onnodig ingewikkeld, willen we dat invloed laten hebben op archivistische beschrijving? En daarnaast is de hiërarchie van het model voor archivistische beschrijving, een van de belangrijkste eigenschappen van dit model, geheel niet aanwezig in de andere beschrijvingsstandaarden. In het kort de conclusie van Furner: verwijs naar elkaar, prima, maar sluit niet op elkaar aan.
Dat deed me nog denken aan een andere overweging. We zijn al geruime tijd bezig om de werelden van archivistisch beheer en informatiemanagement/informatiearchitectuur bij overheden (ik noem maar een voorbeeld) op elkaar aan te laten sluiten. De mensen in die vakgebieden, de recordsmanagers, informatiemanagers en informatiearchitecten, zijn de natuurlijke gesprekspartners voor archivarissen als het gaat om de informatie die zij op (steeds korter wordende) termijn in beheer krijgen. Als je aan de andere kant met je archivistische beschrijvingsstandaarden en datamodel juist nadrukkelijk gaat aansluiten op instellingen in de erfgoedsector, beweeg je dan nog wel in de juiste richting? En trouwens, ben je als archivaris wel overwegend een erfgoedprofessional? (Maar dat is meer een wezensvraag.)

Waar Elizabeth Shepherd I-CHORA 7 aftrapte met de eerste lezing, zo was haar mede-auteur van het standaardwerk de afsluiter van de reeks. De onvoorstelbaar Britse Geoffrey Yeo hield een verhaal over een klassieker in de archivistische literatuur: Archives in the ancient world van Ernst Posner. Kort samengevat stelde Posner dat de gebruiken binnen het archiefbeheer van de vroeghistorie (Mesopotamië, Oud-Egyptenaren en Oud-Grieken) min of meer gelijk waren aan de gebruiken van ‘vandaag’ (i.c. de jaren zestig). De kleitabletten werden ook geordend, opgeslagen in archiefruimten met planken en beschreven in registers. Men was gründlich in de oudheid, en archiefbeheer is het op-één-na oudste beroep ter wereld! Nou... niet dus. Yeo gebruikte vervolgstudies om de conclusies van Posner zo ver af te pellen, dat er bar weinig van over bleef. Kennelijk is de wetenschappelijke wereld soms ongenadig. Dat het boek in zijn tijd een mooi voorbeeld was van onderzoek naar archieven, daar was Yeo het wel mee eens. Maar achteraf bezien blijft er geen Mesopotamische archiefkast van overeind staan...

De conclusie na drie dagen en 28 lezingen: I-CHORA is geweldig in zijn informatierijkheid en opzet. (Alleen de koffie had deze keer beter gekund.) Mocht het nog een keer in Nederland of West-Europa komen: mensen, maak er gebruik van! En als de KVAN-Dagen vanaf de editie in Amersfoort nog verder deze kant op gaan, dan mogen we daar alleen maar blij mee zijn.

Joost van Koutrik werkt bij Het Utrechts Archief en zit ook nog eens in de Archiefcommissie van de VNG.

dinsdag 4 augustus 2015

Gastblog: Joost luistert en schrijft #ICHORA7, dag 2

Sinds 2003 vindt gemiddeld eens in de twee jaar het ‘International Conference on the History of Records and Archives’ (I-CHORA) plaats: een congres waarin onderzoekers hun werk presenteren dat te maken heeft met archieven of archiefbeheer, om vervolgens te worden overladen met vragen vanuit het publiek. Voor de zevende editie is I-CHORA op 29-31 juli neergestreken in het Stadsarchief Amsterdam. Als congrescorrespondent voor Ingmar bladert en schrijft mocht ik verslag doen.
Ik ga hier niet alle 28 lezingen behandelen, maar een keuze hieruit. Het volledige programma met teksten kun je terugvinden op de I-CHORA website. En als je er wel bij was en een lezing of onderwerp hier mist, gebruik dan vooral de ‘Reageer’-knop onderaan!

Dag 2, 30 juli
Jeanette Bastian opende dag twee met een discussie die al decennia woedt, maar met digitalisering van de samenleving alleen maar vloeibaarder is geworden: wat is een ‘archief’? Wat is een archief voor archivarissen/beheerders en wat is het begrip voor andere mensen, met name onderzoekers. Waar archivarissen het archief zien als een afgebakend (zelfs fysiek) geheel, kijken bijvoorbeeld onderzoekers daar op een andere manier naar: ‘oral history’ en juist het ontbreken van tastbare informatie (‘archival silence’) horen ook bij het archief van hun onderzoek. Dit hangt samen met wat Bastian en anderen de zogenaamde ‘archival turn’ in onderzoek noemen. De ‘archival’ waarde van onderzoeksbronnen is niet gelegen in het feit dat ze archiefstukken zijn, maar dat onderzoek heeft aangetoond dat ze bewijswaarde hebben. Zo kan een archeologische opgraving of een plaats van misdaad ook ‘archival’ zijn. Gewoon een verschil van definities als je ’t mij vraagt... De A van OAIS slaat ook niet op archief zoals wij dat kennen.
Maar heeft dit gevolgen voor archiefprofessionals en archiefinstellingen? Grappig was wel wat terug kwam uit de zaal. Wat archivarissen irritant schijnen te vinden is als mensen uit andere disciplines een nieuw theoretisch ‘speeltje’ vinden en daarover gaan tamboereren, terwijl archivarissen er al jaren mee bezig zijn (of zeggen te zijn) zonder gekend te worden: ze blijven ‘hand maidens’ voor historici. De discussie deed mij dan weer de andere kant op denken aan zaakgerichte ordening en zaakgericht werken. Iets totaal nieuws toch, een jaar of tien geleden? Nee, het principe bestaat al ruim een eeuw.

Een van de meer indrukwekkende lezingen was van Melanie Delva en Melissa Adams over de dekolonisatie van archieven en de verhouding hiervan tot de geïnstitutionaliseerde ethische code voor archivarissen. Adams vertegenwoordigde een ‘first nation’ stam in Canada, Delva is een archivaris van de Anglicaanse kerk in West-Canada. De discussie ging over een fotoarchief dat was opgebouwd door de opvarenden van een zendelingenschip, aangemeerd bij een stam in een veraf gelegen plek in het gigantische Brits Columbia. De stam wilde de foto’s in origineel of kopie hebben en daarnaast inspraak hebben op de raadpleging van foto’s waarin heilige objecten zichtbaar waren. In eerste instantie werd dat geweigerd, vanwege het beleid van de archiefinstelling. De lezing ging in op de redenen waarom dat niet zonder meer had moeten gebeuren (meer over de bredere achtergrond vind je hier) en waarom de ICA-code geen rekening houdt met dergelijke gevallen. Het argument was zelfs dat huidige ethische codes ‘westers’ zijn, scheve machtsverhoudingen in stand houden en ingaan tegen verklaringen als UNDRIP. Dat is nogal wat. Theo Thomassen was het daar in ieder geval in een reactie mee eens, hij stelde zelfs dat de ICA-code een gedateerde moralistische code is en geen professionele gedragscode. Ik ben benieuwd of dit een vervolg gaat hebben. En wat de invloed dan is op hoe wij aankijken tegen beheer en beschikbaarstelling van archieven m.b.t. Nederlands-Indië en Suriname, maar ook tegen migrantenarchieven en archieven van niet-westerse godsdienstorganisaties.

Gholamhossein Nezami vertelde over de oprichtingsgeschiedenis van het Iraanse Nationaal Archief. Het verhaal zelf bevatte veel cijfers en feiten en werd gehinderd door het feit dat Nezami een tekst oplas. Hij moest wel, want zijn Engels is niet geweldig. (Geeft niets, mijn Iraans is al helemaal roestig.) Maar toen kwam het. Zonder verder iets te zeggen pakte hij na het verhaal de presentatieklikker en toonde hij foto’s. Heel veel foto’s. De stichtingsakte van het Nationaal Archief, de voordeur van het Nationaal Archief, de verpakkingsruimte van het Nationaal Archief, de mensen van het Nationaal Archief... en de oprichter van het Nationaal Archief in een selfie met Nezami. Zonder grappen was dat toch echt de authentiekste lezing van de hele reeks.

Chris Bellekom, foto van Erika Hokke

Chris Bellekom van het COA zat een drietal lezingen voor over archieven in conflictsituaties. Een van de lezingen was van Ellen van der Waerden over de instructies voor wat je zou kunnen noemen ‘archivalisering’ door Nederlandse militairen bij de invasie door de Duitsers in 1940. Het documentatieproces bestond uit het opmaken van oorlogsdagboeken, krijgsberichten en lijsten van menselijke en materiële verliezen. Op 14 mei 1940 werd het bevel uitgevaardigd om de stukken te vernietigen. Waarom is nooit duidelijk geworden, maar er werd zonder vragen met militaire precisie gevolg aan gegeven. Op 24 mei volgde een bevel van generaal Winkelman om te reconstrueren wat men nog wist van de stukken. Tsja, daar zit je dan. Tijdens maar vooral na de Tweede Wereldoorlog werd dit archief met een veelheid van verslagen aangevuld, zelfs tot in de jaren negentig. Of zoals Van der Waerden stelde: “We hebben nu waarschijnlijk een rijkere reconstructie van het gebeurde dan als de eerste documenten waren bewaard.” Dat is allicht zo, maar dan natuurlijk wel in een andere vormingscontext. Daar hield het overigens niet op. De functie van de collectie was niet alleen het mogelijk maken van historisch onderzoek: (ex-)soldaten werden ook op basis van de verslagen beoordeeld. Wat eigenlijk getuigenverslagen naderhand waren, werd kennelijk gebruikt als primaire bron. Die machtsfunctie en ‘multiple provenance’ van het archief komt ook terug in de ordeningsstructuur.

Peter Horsman sloot de dag af met een lezing over de Gacaca archieven, waar o.a. hij en Petra Links van het NIOD bij betrokken zijn. De Gacaca is een traditioneel systeem van decentrale ‘grass roots’ rechtspraak in Rwanda. Dit systeem werd ingezet bij de berechting van honderdduizenden mensen die betrokken waren bij de Rwandese genocide in 1994. Er was een getrapte structuur van een generale assemblee, sectorale en beroepsrechtbanken (1545 stuks), en lokale rechtbanken (9028 stuks). De lokale rechtbanken dienden voor het verzamelen van getuigenissen en het doen van uitspraken over materiële schade. Over dit geheel werd een intensieve bureaucratie heen gebouwd, met heel specifieke voorschriften voor het opmaken van processtukken. Al die deelarchieven zijn nu bijeengebracht op één locatie, samen met de opnames van rechtszaken. Een enorm ingewikkeld geheel, waarbij volgens Horsman een standaard als ISAD(G) niet volstaat om de dynamiek te beheersen. Nee, dat geloof ik ook wel. Wat dan wel de gekozen oplossing is werd me niet helemaal duidelijk, maar we horen hier in de toekomst waarschijnlijk wel meer over...

Morgen de laatste dag, onder andere over de wampum.

Joost van Koutrik werkt bij Het Utrechts Archief en weet ook veel van films. 

Gerelateerd
Gastblog: Joost luistert en schrijft #ICHORA7 - dag 1

maandag 3 augustus 2015

Gastblog: Joost luistert en schrijft #ICHORA7 - dag 1


Sinds 2003 vindt gemiddeld eens in de twee jaar het ‘International Conference on the History of Records and Archives’ (I-CHORA) plaats: een congres waarin onderzoekers hun werk presenteren dat te maken heeft met archieven of archiefbeheer, om vervolgens te worden overladen met vragen vanuit het publiek. Voor de zevende editie is I-CHORA op 29-31 juli neergestreken in het Stadsarchief Amsterdam. Als congrescorrespondent voor Ingmar bladert en schrijft mocht ik verslag doen. De vorige I-CHORA in Amsterdam was in 2005, andere steden waren Boston, Austin, Toronto, Londen en Perth – dus de kans dat het de volgende keer in Nederland plaatsvindt is niet erg groot... Vreemd was ook dat er opvallend weinig Nederlanders aanwezig waren, terwijl de deelnemers van over de hele westerse wereld leken te komen (en een paar uit Iran).
Ik ga hier niet alle 28 lezingen behandelen, maar een keuze hieruit. Het volledige programma met teksten kun je terugvinden op de I-CHORA website. En als je er wel bij was en een lezing of onderwerp hier mist, gebruik dan vooral de ‘Reageer’-knop onderaan!

Dag één, 29 juli
Na de aftrap ging Elizabeth Shepherd (o.a. co-auteur van een standaard werk en onderzoeker naar de openbaarheid van informatie in Groot Brittannië) in op de onzichtbare rol van vrouwen in de geschiedenis van het vakgebied van archivistiek en informatiebeheer. Als er überhaupt al iets geschreven is over mensen uit ons werkveld, dan zijn dit vrijwel uitsluitend mannen... (De geschiedschrijving over ons vakgebied zal daar overigens bepaald niet uniek in zijn.) Vrouwen hebben echter een belangrijke rol gespeeld in de archivistiek. Een voorbeeld dat Shepherd onderzoekt is het vrouwelijke aandeel in de zogenaamde ‘records agents’ in Engeland in het interbellum. ‘Records agents’ waren zzp’ers en een soort van kruising tussen DIV’ers, informatiebeheer adviseurs en archiefonderzoekers. Veelal vrouwen dus, en Shepherd pikte er een paar uit voor biografieën.

De lezing van Jennifer Douglas ging in op de rol van foto’s van overleden mensen als bewijsstuk en de rol daarvan in het rouwproces, dit naar aanleiding van de miskraam van haar eigen dochter en het aanbod van het ziekenhuis om een foto te maken ter herinnering. Dat vond ze maar een raar idee... Maar er bleek een hele wereld achter te schuilen, vooral tijdens de 19e eeuw. Dus is ze dit fenomeen gaan onderzoeken. Destijds toonden de foto’s o.a. aan dat het kind daadwerkelijk had bestaan en ging het alsnog voor langere tijd deel uitmaken van het gezin. Er zijn ook nu nog hele websites aan gewijd. Als je het verhaal zo beluistert ga je ook in een andere context over selfies en Facebookpagina’s nadenken... Wat als de maker van een selfie overlijdt? Welke waarde krijgt zo’n foto dan voor de nabestaanden? En zou dat gevolgen moeten hebben voor het bedrijf dat die foto’s beheert?

Anne Gilliland behandelde de geschiedenis van het eiland Goli Otok, een van de gevangenissen in Kroatië onder het Tito regime. Het dient nu als een van de objecten die symbool staan voor de geschiedenis van Kroatië vanaf de jaren veertig. Tegenwoordig is het een voorbeeld van plaatsen voor zogenaamd ‘dark tourism’: een plek waar je jezelf in het cachot op de foto kunt laten zetten en daarna een frietje eten. Gililand behandelde de archieven die met het eiland te maken hebben, maar ook hun relatie tot het eiland als historisch object. Wat zegt het object zelf over de archieven, of vooral over de onderdelen die later blijken te ontbreken?

Theo Thomassen. Foto door Vincent Robijn
Theo Thomassen besprak zijn promotieonderzoek naar het archief van de Staten Generaal, waar onlangs de handelsversie van is verschenen. Specifieker ging hij in op de vraag of hij de archivistische methode voor dit archief kon gebruiken: het analyseren van het archief aan de hand van de ‘functies’ of ‘werkprocessen’ van de organisatie. Dat lukte voor een groot deel niet. Destijds was er ook al sprake van ‘multiple provenance’: het archief van de Staten Generaal zoals het nu bestaat komt eigenlijk al voort uit een ketenproces. Bovendien is het een archief dat zijn structuur heeft gekregen door het proces van machtsuitoefening: in de structuur zien we niet de wereld terug zoals die eruit zag, maar zoals de Staten wilden dat die eruit zou zien. Dit zal niet het enige archief zijn waarbij dat het geval is: denk aan archieven waarbij onderdelen bewust zijn weggelaten of later verwijderd. Een paar voorbeelden zullen ook hier langs komen.
Elizabeth Mullins behandelde het archiefbeheer bij de congregatie van de Sisters of Mercy, als casusstudie voor religieuze organisaties in Ierland in de 20e eeuw. En daar werd me wat afgearchiveerd... Recordkeeping was hier ook een overduidelijk machtsmiddel om de status quo te handhaven. Bij de congregatie was een regel of afspraak pas geldig als die werd opgeschreven, en ook nog eens door een hooggeplaatste persoon. Daardoor kon de macht binnen een congregatie ook centraal gehouden worden, tegenover zowel de nonnen als de kinderen die in de congregatie waren gehuisvest. Vreemd genoeg waren de voorschriften voor archiefbeheer kennelijk niet erg duidelijk, waardoor veel informatie verloren is gegaan. (Of misschien bestonden er wel verbale instructies, en waren die over archiefbeheer héél expliciet...) Aan een aantal dossiers van kinderen kun je wel nog zien hoe er o.a. met strafmaatregelen werd omgesprongen. Die dossiers waren weer een waardevolle bron voor het zogeheten Ryan Report uit 2009, kort gezegd de Ierse tegenhanger van de Commissie Deetman.

De slotlezing van Eric Ketelaar op dag één ging naast het archief van Rembrandt in op een hoop zaken, maar vooral op de begrippen ‘archival consciousness’ en ‘archival negativism’. Dat laatste duidt op de ontmoediging (door cultuur of organisatie) om informatie als archief vast te leggen en te bewaren – of juist de vernietiging ervan te stimuleren. Hij haalde daarvoor Derrida’s Archive fever aan (zie o.a. hier), maar stelde dat in deze context Derrida juist niet gaat over het bewaren van archieven; integendeel, het gaat eigenlijk over het vernietigen ervan. We zullen er vast nog wel een vervolgartikel over zien.

Morgen de tweede dag, onder andere over wat een archief is en over de Ethische Code.

Joost van Koutrik werkt bij het Utrechts Archief en twittert ook nog wel eens.

woensdag 15 juli 2015

WhatsApp en archivering

Hoge vlammen vanuit unit 4800. Bron: Marcel Otterspeer/het fotobureau/Hollandse Hoogte
Sinds een paar weken kun je met het BHIC WhatsAppen. Hoe fantastisch ik dat ook vind, daar gaat het nu niet over. Het gaat over een ander stokpaardje:

WhatsApp-berichten kunnen archiefstukken zijn, die nodig zijn om het handelen van de overheid te reconstrueren!

Vorig jaar vonden er bij Shell in Moerdijk twee zware explosies plaats, gevolgd door een grote brand. De explosies waren tot op 20 kilometer afstand te horen en onderdelen van de geëxplodeerde installatie werden tot 800 meter weggeslingerd. Twee werknemers raakten gewond. De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft onderzoek gedaan naar dit voorval.
En dit citaat komt uit het rapport van de OVV:
Naast de centrale manier van werken in het LCMS*, maakten verschillende crisisteams gebruik van WhatsApp. Ze maakten specifieke 'groepen' aan en deelden tijdens de inzet onderling informatie. Deze informatie was daarmee geen onderdeel van het informatiesysteem. Hierdoor kon het niet bijdragen aan het interregionale informatiebeeld.
(pagina 82)
En de OVV ziet het gebruik van WhatsApp als een aandachtspunt, omdat
het mogelijk voor een parallel systeem naast het LCMS zorgt en het systeem op momenten vervangt. De status van informatie via WhatsApp is lastig te duiden, veelal niet vastgelegd en niet meer na te gaan. Er dient hiervoor aandacht te zijn, vooral daar waar mensen geen gebruik (kunnen) maken van LCMS. De Onderzoeksraad ziet hierin een duidelijk nadeel en dat is het ontbreken van de regie hierop vanuit de hoofdstructuur.
(pagina 82)
Interessant hè?
En daar komt dan die circulaire uit het begin van deze eeuw, nog bij...

*LCMS staat voor Landelijk CrisisManagement Systeem "een operationeel informatiesysteem waarin basisinformatie van alle bestrijdingsprocessen geregistreerd staat. Het gaat om informatie over de aard en omvang van een incident, de effecten, de wijze van bestrijden en de bestrijdingsmiddelen die aanwezig zijn of nog komen."
Een tijdje geleden was het in het nieuws, omdat een Brabander het wachtwoord voor het systeem via Google achterhaald had.
Het LCMS wordt beheerd door het Instituut Fysieke Veiligheid, maar ik heb geen idee hoe de archivering geregeld is. Is eigenlijk ook wel interessant om eens uit te zoeken, hè.

Gerelateerd
Twitter, crisis-communicatie en archiveren

maandag 22 juni 2015

Klokkenluidersbrieven

Afgelopen week was er - ook onder archivarissen - enige commotie over de manier waarop de griffies en de Voorzitter van de Tweede Kamer omgingen met anonieme klokkenluidersbrieven: die werden namelijk niet geregistreerd, maar meteen door de shredder gegooid. Nieuwsuur berichtte hierover naar aanleiding van een klokkenluidersbrief over het "bonnetje van Teeven" die naar de Voorzitter van de Tweede Kamer zou zijn gestuurd. "Zou zijn gestuurd" omdat Nieuwsuur er niet in geslaagd is om te achterhalen of het briefje wel verstuurd is en of het daarna ook bij de Tweede Kamer is ontvangen. (Interessant is trouwens ook dat ze wel hebben ontdekt dat delen van de brief waar zijn, maar ook dat er fouten in het briefje staan).
Naar aanleiding van de vragen van Nieuwsuur heeft de Voorzitter van de Tweede Kamer, die hier eigenlijk helemaal niet over gaat, aangezien dit een bevoegdheid van de griffier en zijn ambtenaren is, aangegeven dat de procedure aangepast zal worden.
En, wonder boven wonder, de Haagse postzegel is te klein en met name de kamervoorzitter moet het ontgelden. Het is haar schuld dat die brieven niet geregistreerd worden. 

Natuurlijk mengen ook allerlei archivarissen zich in het (twitter)-debat. De ene, en dat is niet de minste, dus hij zal wel gelijk hebben, is er van overtuigd dat er in strijd met de Archiefwet is gehandeld, de andere zoekt naar een categorie in een selectielijst waar de brieven onder zouden vallen en de derde verwijst naar het Wetboek van Strafrecht.
Het zal allemaal wel. Ik voel me om twee redenen heel ongemakkelijk bij de discussie.

Want waar hebben we het hier over? In haar reactie legt de Voorzitter van de Tweede Kamer de werkwijze, naar mijn idee, helder uit:
Wat voor de hele organisatie geldt, is dat anonieme brieven in algemene zin niet in behandeling worden genomen. Bij de Griffie plenair en de Griffies Commissies en op het secretariaat van Voorzitter en Griffier worden anonieme brieven op hoofdlijnen ‘gescand’ op de inhoud. Bij de Griffies worden de brieven vervolgens enige tijd bewaard, maar niet formeel gearchiveerd. Bij het secretariaat van de Voorzitter en de Griffier worden de brieven na de globale ‘scan’ doorgaans vernietigd. Brieven waarvan het dreigend karakter wordt onderkend, worden in handen gesteld van de Beveiligingsambtenaar, waarna deze voor eventuele follow up zorg draagt.
Met andere woorden, de brieven worden gelezen en geïnterpreteerd. Kunnen ze er niets mee, dan gooien ze ze - na korte of langere tijd - weg. Staan er dreigementen in, dan worden de brieven nader onderzocht. En alles bij elkaar gaat het om "niet meer dan enkele tientallen" brieven per jaar.

Natuurlijk het zou een kleine moeite zijn om dat kleine aantal brieven ook te registreren, maar blijkbaar heeft de Tweede Kamer daar al jarenlang een aparte - min of meer weloverwogen - procedure voor.
Kwestie van risicowaardering en risicoanalyse, lijkt me.
De afgelopen jaren blijkt er eigenlijk ook geen probleem te zijn geweest. De Expertgroep Klokkenluiders kende de procedure niet, omdat nog geen enkele klokkenluider heeft aangegeven dat de anonieme brief die hij naar de Tweede Kamer had gestuurd, was genegeerd. Tja...

En volgens mij hebben we wel "a bigger fish to fry" dan die tientallen anonieme brieven per jaar, of laten het er tien, nee honderd keer zo veel zijn, die niet geregistreerd en gearchiveerd worden. Die vallen namelijk in het niet bij die vermoedelijk duizenden digitale archiefstukken die, ook bij de Tweede Kamer, niet of nauwelijks gearchiveerd worden: e-mails, webpagina's, powerpoint-presentaties, financiële administraties of agenda's.
Dat is een veel groter probleem dan die schamele twee dozijn briefjes.

De tweede reden waarom ik moeite heb met dit alles, is de onredelijke afrekening die nu bezig is.
Iets gaat al jaren op een  bepaalde manier, een journalist vraagt of dat nou zo handig is en degene die bevraagd wordt zegt: "Nee, dat gaan we anders doen."
En dan zegt niemand: "Goed dat je dit aanpakt, laat ons weten wat de nieuwe werkwijze wordt." Nee, integendeel zelfs, het oplossen van een probleem als een probleem gezien, omdat er geen excuses worden aangeboden!

Dit opportunisme is heel contra-productief om precies dezelfde reden die de Klokkenluider-expert noemt: de animo om "fouten" publiekelijk te verbeteren wordt zo wel heel klein wordt. Voor je het weet, kost het je kop.
En dat terwijl een onderdeel van risicoanalyses en het (beruchte) kwaliteitssysteem uit de Archiefregeling toch ook het continu verbeteren van afwegingen, werkwijzes en procedures is.

Maar, misschien zie ik iets over het hoofd...

zaterdag 6 juni 2015

De ARRA herinnerd: 9 minuten Nederlandse computergeschiedenis

Google maakte een prachtige korte documentaire over ARRA II, de eerste Nederlandse computer die eind jaren veertig, begin jaren vijftig in Nederland gebouwd is.
Ik schreef al eerder over een andere Nederlandse computer. (En ik heb het boek van Cordula Rooijendijk ook weer terug. Ik had het inderdaad aan iemand uitgeleend.)

Gerelateerd
Vrouwen, computers en het wonder van Amsterdam
40 jaar geleden bedacht: de Xerox Alto
ENIAC in 1946 en het internet in 1969

donderdag 19 juni 2014