zondag 28 februari 2016

Schaduwarchieven: een deel van akten keert terug

In de tweede helft van de jaren vijftig en de eerste helft van de jaren zestig reed Roelf Raven (dat zou deze kunnen zijn) kriskras door Nederland om bij de rechtbanken de dubbelen van de akten van de burgerlijke stand op te halen. Hij verzamelde deze in Amsterdam, van waar ze naar de Nederlandse Antillen verscheept werden. In diezelfde periode kwamen echter ook alweer akten terug naar Nederland. Dat zit zo.

Terugvoering om de tien jaar
Blijkbaar was het in 1953, toen het besluit genomen werd om de dubbelen naar het buitenland te verplaatsen, de bedoeling om iedere tien jaar weer een deel van de akten naar Nederland terug te halen. E. J. Hoogenraad, secretaris-generaal van het ministerie van Justitie schreef  in september 1964 in ieder geval aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW):
...dat de terugvoering van de ingevolge de wet van 23 juli 1953, stb. 360 naar het buitenland afgevoerde registers van de B.S. om de tien jaren zal plaats vinden. Het was de bedoeling van [sic] de registers over de jaren 1883 tot en met 1892, welke op 18 april 1956 zijn afgevoerd, in 1962 zouden teruggebracht worden.
Door gebrek aan scheepsruimte kon evenwel in 1962 en 1963 de terugvoering niet plaatsvinden. Thans kan binnenkort de aankomst van deze registers (174 kisten) worden verwacht.
Het is de bedoeling, dat in 1972 de registers van de B.S. over de jaren 1893 tot en met 1902 zullen worden teruggevoerd en elke 10 jaren later de volgende 10 jaargangen.
In oktober 1964 laat de Algemene Rijksarchivaris, Herman Hardenberg, aan de staatssecretaris van OKW weten dat de registers in Nederland zijn en dat hij ze voorlopig heeft opgenomen in het hulpdepot aan het Westeinde in Den Haag. Ze zijn gesorteerd en zullen binnenkort naar de rijksarchieven in de provincies worden verplaatst.

Tegelijkertijd verzocht hij de staatssecretaris of zijn departement voor het opstellen van het benodigde Koninklijk Besluit kon zorgen.

En dan begint het gedoe
De rijksarchivaris in Noord-Holland meldde op 23 november 1964 dat
de inhoud van kist 124 dermate beschadigd is, dat zij als geheel verloren beschouwd moet worden.
De inhoud van kist nr. 124 bestond uit:
  1. De 10-jaarlijkse tafels van 1883 t/m 1892 van geboorten van de gemeente Amsterdam van S t/m Z.
  2. De 10-jaarlijkse tafels van 1883 t/m 1892 van huwelijken en overledenen van de gemeente Amsterdam van A t/m Z.
  3. De jaarlijkse tafels van 1883 t/m 1892 van geboorten, huwelijken en overledenen van de gemeente Amsterdam.
En ook uit Utrecht kwam een briefje dat er registers en klappers ontbreken.

De Algemene Rijksarchivaris wees de Minister van Justitie er op dat de Amsterdamse tafels verloren zijn gegaan en dat hij voor de oplossing moet zorgen.
Daar ingevolge artikel 27 van het Burgerlijk Wetboek de bewaarders aansprakelijk zijn voor "het rigtig houden en bewaren der registers", zou ik het op prijs stellen, indien Uwe Excellentie het daarheen wilt leiden, dat van genoemde onder uw verantwoordelijkheid verloren gegane registers alsnog een copie wordt vervaardigd ter overdracht aan de Rijksarchiefdienst.
Hij stuurt een paar weken later een concept-KB voor de overbrenging van de registers naar de staatssecretaris van OKW. Daarin heeft hij in artikel 3 opgenomen dat de Minister van Justitie de beschadigde of verloren gegane registers laat vervangen door "fotografische reproducties van de in de gemeenten bewaarde dubbelen."
Ik heb nog niet achterhaald of en wanneer dit KB is vastgesteld, maar als het gebeurd is, dan heeft dat een hele tijd geduurd. In november 1965, bijna een jaar na zijn eerste briefje, laat de rijksarchivaris van Noord-Holland weten dat hij nog altijd op de reproducties van de beschadigde registers wacht.

Ondertussen had Hardenberg de rijksarchivaris van Utrecht wel laten weten dat de registers van Rhenen en Veenendaal terecht waren. Hij had ze na lang zoeken gevonden en zal ze binnenkort naar Utrecht sturen. En dan schrijft hij twee zinnen, waar een hele wereld achter zit:
Wellicht kan mevrouw Polak - de Booy ze a.s. woensdag meenemen, als ze toch naar het Algemeen Rijksarchief komt om een schrijfmachine en briefpapier af te halen. Helaas zijn ze door vocht beschadigd.
Wat mij dan wel verbaasd, maar daar kom ik vast nog wel een keer op terug, is dat ik bij de RHC's in de inventarissen van de dubbelen helemaal niets over vermissing, reproductie of zelfs een verblijf in het buitenland terug zie.

Bron
NL-HaNa, RAD Rijksarchiefinpectie, 1960-1969, 2.14.10, inv.nr. 120

zondag 21 februari 2016

Schaduwarchieven: waar zijn de duplicaten van de archiefkaarten?

Luchtopname. Curaçao. Marinebasis Parera
Luchtopname van Marinebasis Parera op Curacao uit 1960. Bron: Gahetna

Afgelopen week vroeg iemand waar de kopieën van de archiefkaarten van de bevolkingsregisters nu eigenlijk waren. Het korte antwoord is: vernietigd. Maar natuurlijk is er een langer antwoord te geven.

Even recapituleren
Begin jaren vijftig besloot de regering dat het wenselijk was om reserve-kopieën te hebben van allerlei documenten, zodat in het geval van een vijandige (Russische) inval een regering in ballingschap daar over kon beschikken. Om die reden werden onder andere de dubbelen van de akten van de burgerlijke stand naar Curaçao verplaatst.
Maar de regering bedacht ook dat het bij een inval zinvol kon zijn om de gehele bevolkingsadministratie te vernietigen, zodat de bezetter daar geen gebruik meer van kon maken. Volledige vernietiging was natuurlijk een heel drastische maatregel met grote gevolgen op de langere termijn. Daarom besloot de ministerraad in 1951 dat alle archiefkaarten van de bevolkingsadministratie gekopieerd moeten worden om naar een veilige plek buiten Nederland te worden verplaatst.

Waar zijn de kopie-archiefkaarten nu?
We weten al dat de dubbelen van de akten van de burgerlijke stand in 1975 terug kwamen naar Nederland. (Ik heb me nu weer voorgenomen daar nog iets uitgebreider over te schrijven.) Maar wat is met die andere kopieën die op Curaçao lagen gebeurd?
Het overgrote deel is waarschijnlijk vernietigd, aangezien het toch maar kopieën waren. Begin 1975 schrijft de Secretaris-Generaal van het ministerie van Defensie aan zijn minister:
Gezien de moeilijkheden die na de Tweede Wereld Oorlog zijn ontstaan door de vernietiging tijdens de oorlog van bevolkingsregisters is na de Tweede Wereld Oorlog besloten om elders duplicaten van bevolkingsregisters op te leggen. Dit is gedeeltelijk gebeurd in de vorm van micro-films, gedeeltelijk in de vorm van archiefbladen. Deze stukken zijn opgeborgen in kisten gemerkt IBR en in Curaçao opgeslagen. Naar het hoofd van de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, de heer J.H. Minkhorst, mij mededeelde, is men in 1962 met deze aangelegenheden gestopt. De gegevens die op micro-films waren opgeslagen, zijn naar Nederland teruggezonden en er is machtiging gegeven om de archiefbladen te vernietigen. De heer Minkhorst meende zich te herinneren dat dit gebeurd was door deze kisten verzwaard te dumpen in de Oceaan. Mochten er op het ogenblik in Curaçao nog kisten aanwezig zijn met archiefbladen van het bevolkingsregister, welke kisten dan gemerkt moeten zijn met de letters IBR, dan kan tot vernietiging daarvan worden overgegaan. Hij vroeg wel de nodige waarborgen dat dit met zorgvuldigheid zou geschieden.

Met andere woorden, de papieren kopieën liggen ergens tussen Curaçao en Den Helder op de bodem van de oceaan. De microfilms zijn blijkbaar wel terug gestuurd, maar ik weet (nog) niet waar die terecht zijn gekomen.

Bron
NL-HaNA, Defensie / Gewoon en Geheim Verbaalarchief, 2.13.151, inv.nr. 6308

Gerelateerd
Schaduwarchieven: twee wetten
Schaduwarchieven: de dubbelen van de Burgerlijke Stand keren terug
Schaduwarchieven: kopieën van het archief-bevolkingsregister
Schaduwarchieven: vernietiging en werkverschaffing
Schaduwarchieven: De dubbelen worden verzameld in Amsterdam

zondag 31 januari 2016

Thunderbirds, archieven en vervanging


Thunderbirds Are Go S01E03 door racedaily

Om een losgeslagen ruimtemijn onschadelijk te maken, hebben de Thunderbirds een code nodig die op een gescand formulier staat.  Helaas is de scan slecht, waardoor het laatste cijfer onleesbaar is. Gelukkig wordt het papieren formulier bewaard in een gigantisch archiefdepot onder Londen. De dienstverlening is nogal krakkemikkig: een robot-telefoniste, een receptioniste, formulieren en een commissie liggen dwars. Maar Miss Penelope en haar chauffeur Nosey laten zich niet uit het veld slaan...
Thunderbirds are go!

woensdag 30 september 2015

Vermoorde Petra Pazsitka leefde verder als Frau Schneider


In juli 1984 ging de 24 jarige Petra Pazsitka in Braunschweig naar de tandarts. Daarna is niets meer van haar vernomen. Ze werd als vermist opgegeven en Aktenzeichen XY... Ungelöst (het Duitse Opsporing Verzocht) besteedde er begin 1985 bovenstaande aflevering aan.

Terzijde: als kind heb ik daar heel veel afleveringen van gezien. Vond het ook altijd een fascinerende naam voor een programma. Het archief zat er toch al vroeg in...

Er was zelfs in 1986 iemand die toegaf dat hij Petra vermoord had (al trok hij die verklaring later weer in). In 1989 werd de vrouw, ondanks dat er geen stoffelijk overschot was gevonden, officieel dood verklaard.
Tot vorige week, toen de politie een huis in Düsseldorf doorzocht na een inbraak en daar bij "Frau Schneider" een oude identiteitskaart van Petra Pazsitka vond. Blijkbaar had ze haar verdwijnen in 1984 goed gepland (ze had in ieder geval een kleine €2000 opzij gezet), waardoor ze ruim 30 jaar een nieuw leven kon leiden.


Een voorwaarde was in ieder geval dat ze alles contant betaalde:
Wie die „Braunschweiger Zeitung“ berichtet, hatte sie kein Konto und war auch nicht versichert. Von der Miete bis zum Strom habe sie alles bar gezahlt. Offenbar reichte das, um viele Jahre nicht gefunden zu werden.
Dat ze zo snel geïdentificeerd kon worden, kwam trouwens door een administratieve (archivistische) fout.
Dass Petra Pazsitka so schnell identifiziert werden konnte, lag übrigens auch an einem bürokratischen „Versäumnis“ der Braunschweiger Beamten: Eigentlich müssen laut Bosse vermisste Personen aus dem System gelöscht werden, wenn sie für tot erklärt wurden. Bei Petra Pazsitka war das aber nicht passiert.
En blijkbaar worden de dossiers van onopgeloste moordzaken in Braunschweig ook niet zo snel vernietigd:
Zum „Mordfall Petra Pazsitka“ sagte der Braunschweiger Polizeisprecher Joachim Grande: „Wir klappen den Deckel jetzt zu. Wir hatten den Aktenordner hier noch stehen.”
Waarom Pazsitka "verdween" is trouwens niet duidelijk.

Gerelateerd
Monique Jacobse krijgt haar identiteit terug
Susan LeFevre was 32 jaar Marie Walsh
Drie keer gestorven, vijf jaar cel
Dood of levend?
De kano-man voer naar Panama
De bankier die toch niet dood was

donderdag 10 september 2015

De datum op een webpagina

9 februari 2015
Vorige week stuurde een dorpsgenoot me een berichtje met een link naar een pagina op de gemeentelijke website. Hij vroeg zich af of de datum hij zag - 9 februari 2015 - wel klopte. Toen ik die pagina op mijn tablet opende, stond er echter 2 september 2015 als datum. We wisselden wat screenshots uit (vergelijkbaar met de plaatjes hierboven en beneden), ik opende de pagina op mijn laptop en keek ook maar eens naar de html-code. Overal zag ik 2 september 2015 staan.
2 september 2015
Het duurde meer dan een uur voordat mijn dorpsgenoot door had waar het verschil aan lag: de taalinstellingen van zijn telefoon stonden op Engels (VS).
En ja hoor, toen ik de taalinstellingen op mijn tablet (of in de browser op mijn laptop) op Engels (VS) zette, verscheen ook bij mij de datum 9 februari 2015.

Oh boy!

Blijkbaar worden de pagina's samengesteld uit een database waarin de datum van het besluit vastgelegd wordt als DD/MM/YYYY, in dit geval dus 02/09/2015. En blijkbaar wordt de presentatie van die pagina beïnvloed door de taalinstellingen van de browser: is het een Amerikaan die de pagina opvraagt, dan wordt de datum 9 februari, is het een Nederlander (of wie dan ook, eigenlijk) dan wordt het 2 september.

Ik heb het nog even uitgeprobeerd op andere pagina's en ja, 1 juli wordt 7 januari. Maar 15 juli, blijft gewoon 15 juli.

Om het nog wat ingewikkelder te maken: de bewuste pagina staat niet in The Internet Archive, maar als je de pagina zelf archiveert bijvoorbeeld met behulp van archive.is, of HTTrack (in de standaardinstellingen), dan krijg je de pagina met de Amerikaanse datum.

Ik hoef niet uit te leggen waarom het problematisch is als de datum op een "officiële bekendmaking" varieert, hè?

Gerelateerd
Parkeertarieven op de website
Wayback in de rechtszaal
Eisen webarchivering van de VNG

woensdag 5 augustus 2015

Gastblog: Joost luistert en schrijft #ICHORA7 – dag 3

De zevende editie van het ‘International Conference on the History of Records and Archives’ (I-CHORA) vond plaats op 29-31 juli in het Stadsarchief Amsterdam. Het volledige programma met teksten kun je terugvinden op de I-CHORA website. In deze bijdrage gaan we verder met de derde en afsluitende dag, 31 juli. Niet alle lezingen worden behandeld, dus net als bij dag één en twee geldt: als je er wel bij was en een lezing of onderwerp hier mist, gebruik dan graag het reactievenster onderaan om zelf toe te voegen.

Derde dag, 31 juli
Ik heb de eerste paar lezingen van dag 3 helaas gemist, maar was gelukkig nog net op tijd over het verhaal over de wampum van Jonathan Lainey. Daar heeft Ingmar al over geschreven en de lezing voegde daar eerlijk gezegd inhoudelijk niet veel aan toe... maar Lainey was wel een heel onderhoudende spreker. Lees vooral Ingmar z’n blogs nog een keer.

Er is ietwat geschoven in de lezingen, wat betekende dat Jonathan Furner meer tijd had – en dat vond ik hélemaal niet vervelend! – om te spreken over de geschiedenis en huidige staat van ‘data modeling’ in de archivistiek. Datamodellen worden gebruikt in de informatisering en informatiewetenschap om de wereld zoals we die om ons heen kennen, te vertalen naar het gedrag van databanken en informatiesystemen. In feite is het principe niet heel erg nieuw: datamodellen bestaan al onder de oppervlakte sinds we kaartenbakken of zelfs indices zijn gaan maken, of eigenlijk sinds we de neiging hebben gekregen om de wereld te ordenen. Maar waar het verschil echt in zit volgens Furner, is de aard van de objecten die je beschrijft. In de wereld van de ‘erfgoedsector’ onderscheiden we de vier GLAM-instellingen en informatiestandaarden: galerieën, bibliotheken (libraries), archiefinstellingen en musea. Elke sector met zijn eigen beheerobjecten (hoewel galerieën en kunstmusea in veel gevallen uitwisselbaar kunnen zijn) en dus elk met zijn eigen informatiesysteem en datamodel. Toch? Nou, ja en nee...
Want naast de neiging om te ordenen, hebben we ook de neiging om ordeningssystemen op elkaar aan te sluiten. Fruner verwijst naar de ontwikkeling van een nieuw overkoepelend datamodel voor archieven van de ‘expert group on archival description’ (EGAD) van de Internationale Archiefraad (ICA). Die groep heeft blijkbaar een rapport heeft geschreven over het sterker aansluiten van de archivistische beschrijvingsstandaarden aan die van de andere GLAM-instellingen. Waarschijnlijk om aan te kunnen sluiten bij initiatieven als OpenGLAM, of om objecten te kunnen beschrijven die zowel museumstuk als archiefstuk zijn (denk aan scheepsmodellen). Maar is dat wel verstandig? Volgens Furner niet, want wat gaan we inleveren op ons eigen datamodel? Het datamodel voor musea is op dit moment bijvoorbeeld onnodig ingewikkeld, willen we dat invloed laten hebben op archivistische beschrijving? En daarnaast is de hiërarchie van het model voor archivistische beschrijving, een van de belangrijkste eigenschappen van dit model, geheel niet aanwezig in de andere beschrijvingsstandaarden. In het kort de conclusie van Furner: verwijs naar elkaar, prima, maar sluit niet op elkaar aan.
Dat deed me nog denken aan een andere overweging. We zijn al geruime tijd bezig om de werelden van archivistisch beheer en informatiemanagement/informatiearchitectuur bij overheden (ik noem maar een voorbeeld) op elkaar aan te laten sluiten. De mensen in die vakgebieden, de recordsmanagers, informatiemanagers en informatiearchitecten, zijn de natuurlijke gesprekspartners voor archivarissen als het gaat om de informatie die zij op (steeds korter wordende) termijn in beheer krijgen. Als je aan de andere kant met je archivistische beschrijvingsstandaarden en datamodel juist nadrukkelijk gaat aansluiten op instellingen in de erfgoedsector, beweeg je dan nog wel in de juiste richting? En trouwens, ben je als archivaris wel overwegend een erfgoedprofessional? (Maar dat is meer een wezensvraag.)

Waar Elizabeth Shepherd I-CHORA 7 aftrapte met de eerste lezing, zo was haar mede-auteur van het standaardwerk de afsluiter van de reeks. De onvoorstelbaar Britse Geoffrey Yeo hield een verhaal over een klassieker in de archivistische literatuur: Archives in the ancient world van Ernst Posner. Kort samengevat stelde Posner dat de gebruiken binnen het archiefbeheer van de vroeghistorie (Mesopotamië, Oud-Egyptenaren en Oud-Grieken) min of meer gelijk waren aan de gebruiken van ‘vandaag’ (i.c. de jaren zestig). De kleitabletten werden ook geordend, opgeslagen in archiefruimten met planken en beschreven in registers. Men was gründlich in de oudheid, en archiefbeheer is het op-één-na oudste beroep ter wereld! Nou... niet dus. Yeo gebruikte vervolgstudies om de conclusies van Posner zo ver af te pellen, dat er bar weinig van over bleef. Kennelijk is de wetenschappelijke wereld soms ongenadig. Dat het boek in zijn tijd een mooi voorbeeld was van onderzoek naar archieven, daar was Yeo het wel mee eens. Maar achteraf bezien blijft er geen Mesopotamische archiefkast van overeind staan...

De conclusie na drie dagen en 28 lezingen: I-CHORA is geweldig in zijn informatierijkheid en opzet. (Alleen de koffie had deze keer beter gekund.) Mocht het nog een keer in Nederland of West-Europa komen: mensen, maak er gebruik van! En als de KVAN-Dagen vanaf de editie in Amersfoort nog verder deze kant op gaan, dan mogen we daar alleen maar blij mee zijn.

Joost van Koutrik werkt bij Het Utrechts Archief en zit ook nog eens in de Archiefcommissie van de VNG.

dinsdag 4 augustus 2015

Gastblog: Joost luistert en schrijft #ICHORA7, dag 2

Sinds 2003 vindt gemiddeld eens in de twee jaar het ‘International Conference on the History of Records and Archives’ (I-CHORA) plaats: een congres waarin onderzoekers hun werk presenteren dat te maken heeft met archieven of archiefbeheer, om vervolgens te worden overladen met vragen vanuit het publiek. Voor de zevende editie is I-CHORA op 29-31 juli neergestreken in het Stadsarchief Amsterdam. Als congrescorrespondent voor Ingmar bladert en schrijft mocht ik verslag doen.
Ik ga hier niet alle 28 lezingen behandelen, maar een keuze hieruit. Het volledige programma met teksten kun je terugvinden op de I-CHORA website. En als je er wel bij was en een lezing of onderwerp hier mist, gebruik dan vooral de ‘Reageer’-knop onderaan!

Dag 2, 30 juli
Jeanette Bastian opende dag twee met een discussie die al decennia woedt, maar met digitalisering van de samenleving alleen maar vloeibaarder is geworden: wat is een ‘archief’? Wat is een archief voor archivarissen/beheerders en wat is het begrip voor andere mensen, met name onderzoekers. Waar archivarissen het archief zien als een afgebakend (zelfs fysiek) geheel, kijken bijvoorbeeld onderzoekers daar op een andere manier naar: ‘oral history’ en juist het ontbreken van tastbare informatie (‘archival silence’) horen ook bij het archief van hun onderzoek. Dit hangt samen met wat Bastian en anderen de zogenaamde ‘archival turn’ in onderzoek noemen. De ‘archival’ waarde van onderzoeksbronnen is niet gelegen in het feit dat ze archiefstukken zijn, maar dat onderzoek heeft aangetoond dat ze bewijswaarde hebben. Zo kan een archeologische opgraving of een plaats van misdaad ook ‘archival’ zijn. Gewoon een verschil van definities als je ’t mij vraagt... De A van OAIS slaat ook niet op archief zoals wij dat kennen.
Maar heeft dit gevolgen voor archiefprofessionals en archiefinstellingen? Grappig was wel wat terug kwam uit de zaal. Wat archivarissen irritant schijnen te vinden is als mensen uit andere disciplines een nieuw theoretisch ‘speeltje’ vinden en daarover gaan tamboereren, terwijl archivarissen er al jaren mee bezig zijn (of zeggen te zijn) zonder gekend te worden: ze blijven ‘hand maidens’ voor historici. De discussie deed mij dan weer de andere kant op denken aan zaakgerichte ordening en zaakgericht werken. Iets totaal nieuws toch, een jaar of tien geleden? Nee, het principe bestaat al ruim een eeuw.

Een van de meer indrukwekkende lezingen was van Melanie Delva en Melissa Adams over de dekolonisatie van archieven en de verhouding hiervan tot de geïnstitutionaliseerde ethische code voor archivarissen. Adams vertegenwoordigde een ‘first nation’ stam in Canada, Delva is een archivaris van de Anglicaanse kerk in West-Canada. De discussie ging over een fotoarchief dat was opgebouwd door de opvarenden van een zendelingenschip, aangemeerd bij een stam in een veraf gelegen plek in het gigantische Brits Columbia. De stam wilde de foto’s in origineel of kopie hebben en daarnaast inspraak hebben op de raadpleging van foto’s waarin heilige objecten zichtbaar waren. In eerste instantie werd dat geweigerd, vanwege het beleid van de archiefinstelling. De lezing ging in op de redenen waarom dat niet zonder meer had moeten gebeuren (meer over de bredere achtergrond vind je hier) en waarom de ICA-code geen rekening houdt met dergelijke gevallen. Het argument was zelfs dat huidige ethische codes ‘westers’ zijn, scheve machtsverhoudingen in stand houden en ingaan tegen verklaringen als UNDRIP. Dat is nogal wat. Theo Thomassen was het daar in ieder geval in een reactie mee eens, hij stelde zelfs dat de ICA-code een gedateerde moralistische code is en geen professionele gedragscode. Ik ben benieuwd of dit een vervolg gaat hebben. En wat de invloed dan is op hoe wij aankijken tegen beheer en beschikbaarstelling van archieven m.b.t. Nederlands-Indië en Suriname, maar ook tegen migrantenarchieven en archieven van niet-westerse godsdienstorganisaties.


Chris Bellekom, foto van Erika Hokke

Chris Bellekom van het COA zat een drietal lezingen voor over archieven in conflictsituaties. Een van de lezingen was van Ellen van der Waerden over de instructies voor wat je zou kunnen noemen ‘archivalisering’ door Nederlandse militairen bij de invasie door de Duitsers in 1940. Het documentatieproces bestond uit het opmaken van oorlogsdagboeken, krijgsberichten en lijsten van menselijke en materiële verliezen. Op 14 mei 1940 werd het bevel uitgevaardigd om de stukken te vernietigen. Waarom is nooit duidelijk geworden, maar er werd zonder vragen met militaire precisie gevolg aan gegeven. Op 24 mei volgde een bevel van generaal Winkelman om te reconstrueren wat men nog wist van de stukken. Tsja, daar zit je dan. Tijdens maar vooral na de Tweede Wereldoorlog werd dit archief met een veelheid van verslagen aangevuld, zelfs tot in de jaren negentig. Of zoals Van der Waerden stelde: “We hebben nu waarschijnlijk een rijkere reconstructie van het gebeurde dan als de eerste documenten waren bewaard.” Dat is allicht zo, maar dan natuurlijk wel in een andere vormingscontext. Daar hield het overigens niet op. De functie van de collectie was niet alleen het mogelijk maken van historisch onderzoek: (ex-)soldaten werden ook op basis van de verslagen beoordeeld. Wat eigenlijk getuigenverslagen naderhand waren, werd kennelijk gebruikt als primaire bron. Die machtsfunctie en ‘multiple provenance’ van het archief komt ook terug in de ordeningsstructuur.

Peter Horsman sloot de dag af met een lezing over de Gacaca archieven, waar o.a. hij en Petra Links van het NIOD bij betrokken zijn. De Gacaca is een traditioneel systeem van decentrale ‘grass roots’ rechtspraak in Rwanda. Dit systeem werd ingezet bij de berechting van honderdduizenden mensen die betrokken waren bij de Rwandese genocide in 1994. Er was een getrapte structuur van een generale assemblee, sectorale en beroepsrechtbanken (1545 stuks), en lokale rechtbanken (9028 stuks). De lokale rechtbanken dienden voor het verzamelen van getuigenissen en het doen van uitspraken over materiële schade. Over dit geheel werd een intensieve bureaucratie heen gebouwd, met heel specifieke voorschriften voor het opmaken van processtukken. Al die deelarchieven zijn nu bijeengebracht op één locatie, samen met de opnames van rechtszaken. Een enorm ingewikkeld geheel, waarbij volgens Horsman een standaard als ISAD(G) niet volstaat om de dynamiek te beheersen. Nee, dat geloof ik ook wel. Wat dan wel de gekozen oplossing is werd me niet helemaal duidelijk, maar we horen hier in de toekomst waarschijnlijk wel meer over...

Morgen de laatste dag, onder andere over de wampum.

Joost van Koutrik werkt bij Het Utrechts Archief en weet ook veel van films. 

Gerelateerd
Gastblog: Joost luistert en schrijft #ICHORA7 - dag 1